| |
DE
VROUWELIJKHEID, EEN CULTUURGEGEVEN, EEN ZIJNSGEGEVEN OF BEIDEN?
In deze tekst vertrekken we van de kernvraag, die ook geponeerd wordt in
het artikel van Frans Van Looveren “In hoeverre is de ‘vrouwelijkheid’
een biologisch, psychologisch gegeven van waaruit een symbolische orde
ontstaat of is dit een cultuurgegeven waaraan men zelf sturing kan
geven”. Dit is ook de kernvraag die leeft bij de voor- en tegenstanders
van het feminisme.
Vanuit vrouwenstudies in de jaren negentig van M. Brouns en de studie
over individualiseringsrisico’s van D. Geldof willen we komen tot het
inzicht dat de vrouwelijkheid zowel biologisch als psychologisch bepaald
is en dat de vrouw een unieke plaats inneemt in de samenleving. De
invulling van die vrouwelijkheid kan echter evolueren in een korte
tijdspanne door meerdere externe factoren.
In de studies van Brouns (1995: 276-283) zien we dat er tussen de jaren
zestig en negentig diverse standpunten werden ingenomen ten opzichte van
de huishoudelijke arbeid en kinderopvang. Tijdens de industrialisatie is
het rollenpatroon ontstaan van de uitwerkende man die betaald werk
uitvoert en de thuisblijvende vrouw die de ‘binnendienst’ onbetaald
verricht, namelijk het huishouden en de zorg voor de kinderen.
Vooral de opgeleide middenklasse-vrouwen ervoeren dit werk als duf,
afstompend, minderwaardig en zij wilden deelnemen aan het
maatschappelijke leven door arbeidsparticipatie (Brouns 1995: 276). Het
huishoudelijk werk was een belemmering om te kunnen deelnemen aan de
arbeidsmarkt. Daarom streefden zij naar een herverdeling van de
huishoudelijke werkzaamheden tussen man en vrouw. Ook zagen zij de zorg
voor kinderen en ouderen niet uitsluitend als een werk dat door vrouwen
werd verricht. Zij wilden dat de man binnenshuis deze zorg deelde en de
staat buitenshuis deze zorg gedeeltelijk overnam, wat leidde tot het
ontstaan van de kinderopvang. Dit streven werd later de basis van het
emancipatiebeleid in Nederland in de jaren zeventig. Het streven naar
gelijkheid met de man en naar autonomie was hier cruciaal (Brouns 1999:
276-277).
De arbeidersklasse zag het huishoudelijke werk en de verzorging van de
kinderen als nuttig en zinvol. Zij ervoeren in hun veelzijdige taak
voldoening, erkenning en een bron van eigenwaarde. Anderen zagen het
huishoudelijke werk als een noodzakelijke voorwaarde voor loonarbeid.
Nadat het huishoudelijke werk verricht was, kon men buitenshuis aan de
slag. Dat het werk enkel een privébezigheid was, zoals de feministische
visie beweerde, werd door hen niet zo ervaren. Zo ontstond het
huishoudelijke arbeidsdebat in de jaren zestig en zeventig (Brouns 1999:
278-279).
De sterk toegenomen scholing en de emancipatiegedachte, maakte dat meer
vrouwen de arbeidsmarkt opzochten om daar hun talenten te ontplooien. (Geldof
1999:53-57) Hierdoor nam individualisering, een geleidelijk proces van
vrijmaking van de vrouw, binnen het gezin plaats. (Geldhof 1999: 59-60)
Het beschikken over eigen inkomen bezorgde de vrouw meer autonomie op
sociaaleconomisch vlak (Geldof, 1999:59-60, 57).
Een toenemende arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en een stijgende
urgentie in de zorgsector leidde tot het opzetten van het Nationaal
Zorgplan en een verandering in het arbeidsbestel door het OESO-plan
(organisatie van economische samenwerking en ontwikkeling) van 1991.
Hierbij zorgde men voor een flexibiliteit op de arbeidsmarkt en de
sociale zekerheid werd aangepast aan de vernieuwing van het
‘seksecontract’ waarbij men zich liet leiden door de nieuwe
genderbepaling (Brouns 1999: 279-280).
Vanaf de jaren negentig, na het individualiseringsproces, wordt ‘zorg’
weer een aantrekkelijk begrip. Bij het huishouden staat de zorg voor de
continuïteit van het menselijk bestaan centraal en wordt hieraan
kwaliteit geschonken. De mannen halen hun zorgverantwoordelijkheid in op
latere leeftijd door voor ouders en kleinkinderen te zorgen. Vrouwen
gaan participeren op het arbeidsveld in de zorgsector, zoals
kinderopvang en verpleging. Waar de zorg vroeger, vooral in
progressieve kringen, een negatieve klank had omdat het als betuttelend
werd ervaren en opoffering eiste, wordt zorg later als waardevol gezien
omdat het de kwaliteit van het bestaan verbetert. Zorg vertegenwoordigt
een maatschappelijke en morele waarde. De zorgaspiraties bij vrouwen
komen weer tot ontwikkeling zonder de negatieve associaties met de lage
status hiervan en het verplichte karakter (Brouns 1999: 281-182).
Autonomie en verbondenheid zijn niet langer elkaars tegenpolen maar
elkaars voorwaarden.
Over deze zorgaspiraties schrijft Eva Herman het volgende. Zij gelooft
in een symbolische orde in de maatschappij gekleurd door de
complementaire seksen. Onze identiteit blijft ons bepalen. De
ideologische kern van het feminisme, de volledige gelijkheid tussen man
en vrouw wijst ze af. Het adagium van Simonne De Beauvoir ‘Niemand wordt
als vrouw geboren, je wordt het’ vindt Eva onjuist. Ze weerlegt dat het
seksuele verschil enkel cultureel bepaald zou zijn. ’Je bent het.’ Ze
wijst op de biologische en psychologische fundering van de vrouwelijke
identiteit die haar tot een uniek wezen maakt. Haar vrouwelijke
intuïtie, haar emotionele intelligentie, haar grote empathie naar man en
kinderen toe, haar derde oog voor detail heeft haar een unieke plaats in
de maatschappij en staat in schril contrast met het
rationeel-oraganisatorisch en competitief zijn van de man. Deze
vaardigheden kan de vrouw investeren vooreerst in haar gezin maar ook op
de arbeidsmarkt heeft ze een complementaire waarde. De vrouw in deze
beide situaties gaan we nu één voor één bespreken.
In verbondenheid met haar gezin, in de liefde en complementariteit tot
haar man, de zorg voor de kinderen komt de vrouwelijkheid tot zijn
recht. Eva Herman waarschuwt voor individualisme, concurrentie met de
man en zelfrealisatie ten koste van het gezin. Ze moedigt de vrouw aan
om ten volle te kiezen voor het moederschap, het koesteren en opvoeden
van de kinderen en van het huis een thuis te scheppen waar het
basisvertrouwen bij de kinderen wordt doorgegeven van waaruit ze de
vreemde wereld kunnen verkennen. Wie de symbolische ordening negeert in
het gezin ervaart een druk en schiet tekort in de relaties binnen het
gezin met alle gevolgen van dien (Van Looveren 2006: 7-8). Latere
stoornissen en gedragsproblemen bij kinderen hebben volgens Eva soms hun
oorzaak in een gemis aan warmte, rust, en stabiliteit tijdens de eerste
levensjaren. Concreet stelt ze voor, indien mogelijk, minstens de eerste
drie jaar thuis te blijven voor de kinderen en het beroepsleven even uit
te stellen. Dit zou de verdunning van de gezinnen en de vergrijzing van
de maatschappij kunnen tegen gaan.
Op de arbeidsmarkt kiest de vrouw in hoofdzaak voor specifieke zorgende
beroepen. De gemiddelde participatie van de vrouw in vrouwenberoepen,
waaronder de huishoudelijke en verzorgende beroepen vallen, is de
laatste drie decennia gestegen van 61 naar 71%. De participatie van de
vrouw in mannenberoepen is de laatste drie decennia gestegen van 4 naar
7%. (Brouns,1995: 320) Eva Herman pleit niet voor een terugkeer van ‘de
moeder aan de haard’, maar opteert voor een beroepsleven dat zich
beperkt zodat het verzoenbaar is met de vereisten van het gezin zodanig
dat de orde thuis niet verstoort raakt (Van Looveren 2006: 7).
De studies van de socioloog Geldhof tonen aan dat toenemende
flexibiliteits- en productiviteitseisen op de arbeidsmarkt het
gezinsleven bedreigen en gezinsverdunning in de hand werken (Geldof
1999:59-60). Uitermate belangrijk is daarom dat de arbeidsmarkt
terugkeert naar een flexibiliteit in de loopbaan die niet in functie
staat van een 24 uurs-economie maar in functie van het gezin. De eisen
van het gezin en de verwachtingen in zake relaties moeten samengaan (Brouns
1999: 281).
De financiële erkenning mag niet de enige drijfveer zijn van haar
beroepskeuze. Een vrouw die vrijwillig voor het beroepsleven kiest, is
geëmancipeerd volgens Eva Herman.
Essentieel is dat de overheid het voor vrouwen meer mogelijk maakt
volledig voor het gezin te kiezen. Zo’n keuze mag geen privilege zijn
van vrouwen die het zich kunnen veroorloven. De vrouw mag niet vanuit de
overheid gestuurd worden mee te draaien in het economisch systeem om het
sociale systeem te onderstutten. Zij verzet zich ertegen dat vrouwen in
onze samenleving uitsluitend of bij voorkeur zichzelf vinden in hun
beroep (Van Looveren 2006: 7-9).
De positieve invloeden van het feminisme voor de vrouw, zoals de
invoering van het algemeen stemrecht, haar vormingskansen, haar
verhoogde kansen in het beroepsleven, de wetgeving tegen partnergeweld,
de vluchthuizen brachten eertijds onevenwichtige verhoudingen terug in
balans. Geldhof bekritiseert echter de hedendaagse trend, de toename
van individualisering binnen het emancipatorisch proces. ‘Wat
oorspronkelijk een emancipatorisch proces was, is nu een strategie van
ontmenselijking’ (Geldof 1999: 56-60).
BESLUIT
Man en vrouw zijn fundamenteel gelijkwaardig maar door hun seksuele
verscheidenheid neemt elk een andere rol in de maatschappij. ‘Vrouwen
zijn bij uitstek stichters van sociale cohesie als ze het
individualistische feminisme laten varen en hun vrouwelijkheid ernstig
nemen’. (Van Looveren 2006: 8).
De invulling van die vrouwelijkheid is gewijzigd de laatste decennia
door onder andere het feminisme. De verdrongen zorgaspiraties van de
vrouw worden terug ontwikkeld door de positieve connotatie die aan zorg
wordt toegekend in onze individualiserende maatschappij en door het
ontdoen van het verplichte karakter. Waar de vrouw oorspronkelijk van
wegdreef, de huishoudelijke arbeid en zorg voor kinderen, omwille van de
wens naar autonomie en gelijkheid, gedreven door het feminisme, is ze nu
stilaan aan het terugkeren naar het opnemen van zorgtaken, maar nu in
meerdere settings (Brouns 1999: 283).
LITERATUURLIJST
BROUNS,M.,Verloo,M., Grünell,M. (1995) Vrouwenstudies in de jaren
negentig, Een kennismaking vanuit verschillende disciplines. Arbeid,
zorg en autonomie. Bussom, Coutinho.
GELDOF, D.(1999) ‘Niet meer maar beter.’ Over zelfbeperking in de
risicomaatschappij. Leuven, Acco.
VAN LOOVEREN, F. (2006) Een knuppel in het feministische hoenderhok,
Resumé van het boek ‘Das Evaprinzip. Für eine neue Weiblichkeit.’ Van
Eva Herman, Tertio 352:7-9.
|
|