terugkeren>>

 
  Bent u gehuwd of wettelijk samenwonend, dan vult u samen één aangifte in en krijgt u samen één belastingafrekening. Tenzij u in 2006 getrouwd bent of op het gemeentehuis een verklaring van wettelijke samenwoning hebt afgelegd. Dan wordt u nog een laatste maal alleen belast en moet u beiden elk nog een afzonderlijke aangifte invullen. Hebt u geen verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd, maar woont u toch samen, dan blijft u als alleenstaande belast. Feitelijke samenwonenden vullen dus ieder apart een aangifte in.

Alleen en niet samen belast worden ook gehuwden die uit de echt gescheiden zijn of van tafel en bed gescheiden zijn en wettelijk samenwonenden die hun wettelijke samenwoning beëindigden.

Is men in 2006 slechts feitelijk en niet wettelijk gescheiden, dan wordt men nog voor deze aangifte een laatste maal gemeenschappelijk belast. Om praktische redenen kunnen feitelijk gescheiden gehuwden of wettelijk samenwonenden wel al onmiddellijk ieder afzonderlijk een aangifte indienen.

Is de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner in 2006 overleden, dan vult de weduwe, weduwnaar of overlevende partner afzonderlijk een aangifte in, één voor zichzelf en een andere voor de overleden partner. De langstlevende partner moet in dat geval zelf in de aangifte verduidelijken (code 1012 of 1013 van vak II) hoe hij of zij en de overledene voor 2006 moeten worden belast: alleen (twee afzonderlijke aanslagen) of nog een laatste maal gemeenschappelijk (één aanslag). De belastingadministratie past niet automatisch de meest voordelige aanslag toe. Niet echt netjes. Fiscale software waarmee een simulatieberekening kan worden gemaakt, brengt mogelijk redding. Doorgaans zal de balans echter overslaan in het voordeel van een gemeenschappelijke aanslag, maar dat is niet altijd zo.

Het kan wel degelijk nog een verschil maken of u samen dan wel alleen wordt belast. De belastinghervorming voerde vanaf 2004 weliswaar de decumul in voor gehuwden, maar niet consequent voor alle inkomsten. Bovendien maakt de fiscale wetgever nog op tal van vlakken een onderscheid tussen belastingplichtigen die samen worden belast (echtgenoten en wettelijk samenwonenden) en zij die alleen worden belast (alleenstaande, feitelijk samenwonende, uit de echt of wettelijke samenwoning gescheiden personen). Denken we maar aan de toepassing van het huwelijksquotiënt, de automatische overdracht van belastingvrije sommen en verliezen en de vrije verdeling van leningsuitgaven (zie pagina 14) die het voorrecht blijven van gehuwden en wettelijk samenwonenden. Daartegenover stellen we de goedkopere belasting op werkloosheidsuitkeringen van feitelijke samenwonenden, de hogere belastingvrije som die zij verkrijgen wanneer ze kinderen hebben en de hogere bestaansmiddelen die hun kinderen mogen genieten om nog ten laste te kunnen zijn. In de praktijk is de fiscale neutraliteit van de samenlevingsvorm dus nog ver af. Meer nog, sinds de belastinghervorming wordt de uiteindelijke belastingfactuur ook beïnvloed door het type huwelijksstelsel. Zo betalen, binnen dezelfde groep van de gehuwde belastingplichtigen, zij die met scheiding van goederen huwden soms meer belasting dan echtgenoten zonder huwelijkscontract, en omgekeerd. Een fenomeen dat onbestaande was vóór de belastinghervorming en de personenbelasting verder vertroebelt.

Bij belastingen geldt zonder meer het principe, 'hoe meer kinderen, hoe meer vreugde.' Elke belastingbetaler ziet de eerste 5.940 euro van zijn inkomen van 2006 vrijgesteld van belasting. Is hij zwaar gehandicapt (aan te geven in code 1028 of 1029 van vak II) dan komt daar 1.260 euro bij. Eén kind ten laste geeft ook recht op een belastingvrije toeslag van 1.260 euro. Voor twee kinderen wordt dat 3.250 euro, voor drie kinderen 7.280 euro en vier kinderen zorgen voor een extra belastingvrijstelling op 11.770 euro van het inkomen.

Voor een alleenstaande of feitelijk samenwonende met kinderen wordt dit bedrag nogmaals verhoogd met 1.260 euro. Een alleenstaande met vier kinderen betaalt bijgevolg geen belasting op een belastbaar inkomen van 18.970 euro (5.940 euro + 11.770 euro + 1.260 euro). Verdient hij minder, dan krijgt hij een belastingkrediet voor het niet benutte deel van zijn belastingvrij inkomen. Dat belastingkrediet kan oplopen tot 360 euro per kind.

Een kind dat op 1 januari 2007 jonger is dan drie jaar geeft recht op een bijkomende belastingvrije toeslag van 470 euro. U vraagt die aan in code 1038 van vak II. De toeslag van 470 euro geldt enkel indien u voor dat kind geen oppaskosten aftrekt in vak VII van de aangifte.

Het verlies van een derde kind ten laste, omdat hij of zij werkt of het ouderlijk huis heeft verlaten, betekent een financiële aderlating van jaarlijks 1.600 euro. Een enig kind dat niet meer ten laste is, verhoogt de belasting met slechts 340 euro. (zie tabel)

Voor een andere persoon ten laste (broer, zus of ouder) wordt 1.260 euro van het inkomen vrijgesteld. Hier geen progressiviteit. Drie personen ten laste geven recht op een belastingvrije toeslag van 3.780 euro (1.260 euro x 3). Is de broer, zus of (groot)ouder ten laste echter 65 jaar of ouder op 1 januari 2007, dan bedraagt de toeslag geen 1.260 euro maar 2.520 euro (code 1043 van vak II). Gehandicapte kinderen en andere personen ten laste worden voor twee geteld en mogen in de aangifte dus dubbel worden vermeld.

Volgende personen kunnen ten laste zijn: kinderen, zowel eigen als niet eigen kinderen die u hoofdzakelijk ten laste heeft (bv. pleegkind of kind van samenwonende partner), ouders en (over)grootouders, zijverwanten tot de tweede graad (broer en zus) en de andere personen van wie u ooit ten laste was (bv. pleegouder). De echtgenoot of samenwonende partner, die niet tot één van deze categorieën behoort, is nooit ten laste. Wel kan eenmalig een belastingvrije toeslag worden toegekend voor het jaar van huwelijk of verklaring van wettelijke samenwoning indien de partner geen of slechts zeer weinig eigen bestaansmiddelen geniet. U vraagt dit voordeel aan in code 1004 of 1008 van vak II.

Een kind of persoon ten laste moet voldoen aan drie voorwaarden. (1) Hij moet op 1 januari 2007 deel uitmaken van het gezin. Dit criterium wordt soepel geïnterpreteerd. Een kotstudent of zelfs een kind dat in het buitenland studeert blijft in principe ten laste. Fiscaal speelt het bovendien geen enkele rol of een kind gedurende 12 maanden, dan wel één dag ten laste was. Een kind geboren op 31 december 2006 levert evenveel fiscaal voordeel op als een kind geboren in januari 2006. Een doodgeboren, ontvoerd of vermist kind kan ook ten laste zijn. (2) Het kind of de persoon ten laste mag niet worden bezoldigd door de tenlastenemer. Opletten dus wanneer u als zelfstandige uw kind zou tewerkstellen tijdens weekends of vakantie. (3) Het kind of de persoon ten laste mag niet al te veel eigen bestaansmiddelen genieten. Hij of zij mag in 2006 hoogstens 2.610 euro eigen nettobestaansmiddelen hebben genoten. Is het kind ten laste van een alleenstaande of van een feitelijk samenwonende dan wordt de grens gesteld op 3.770 euro. Is het bovendien gehandicapt dan wordt dit 4.780 euro. Andere personen ten laste mogen nooit meer dan 2.610 euro eigen nettobestaansmiddelen genieten. Netto is bruto min de kosten. De kosten zijn, naar keuze, de werkelijke kosten of forfaitair 20% met een minimum van 360 euro voor lonen en baten. Sommige inkomsten worden niet in aanmerking genomen als bestaansmiddel: kindergeld, kraamgeld, adoptiepremie, studiebeurzen, overheidstegemoetkomingen voor gehandicapten, bezoldigingen van gehandicapten tewerkgesteld in een beschutte werkplaats, sommige achterstallige onderhoudsuitkeringen, enz. Andere inkomsten worden gedeeltelijk vrijgesteld als bestaansmiddel. Het inkomen blijft weliswaar belastbaar, maar wordt voor een deel niet meegerekend bij de beoordeling of men ten laste kan zijn. Onderhoudsuitkeringen betaald aan kinderen zijn voor 2.610 euro als bestaansmiddel vrijgesteld. Bezoldigingen uit een studentenovereenkomst zijn als bestaansmiddel vrijgesteld voor 2.170 euro. Pensioenen kennen dan weer een vrijstelling van 21.020 euro indien ze betaald zijn aan een broer, zus of (groot)ouder van 65 jaar of meer.